Over mij en wat ik wil met de PvdA Haarlem

Op dinsdagavond 10 juni kiezen de leden van de PvdA Haarlem hun afdelingsvoorzitter. Ik ben één van de twee kandidaten en elders op mijn website kun je daar ook meer over lezen. Nu de ledenvergadering nadert heb ik veel gesprekken met partijgenoten. Dat geeft mij een beeld van wat zij belangrijk vinden voor de toekomst van de afdeling en het geeft mij de kans om te vertellen waarom ik voorzitter wil worden. Vaak is het niet nodig om te vertellen over mijn diverse ervaringen binnen de partij, het feit dat ik initiatieven neem en mensen mobiliseer, of op een open en zorgvuldige manier communiceer. Of ik nu wel of niet gekozen word als afdelingsvoorzitter, ik koester het contact dat ik met zoveel partijgenoten heb aangehaald. Onze gesprekken gingen vaak over waar het met de afdeling naar toe moet. Mijn antwoord op die vraag begint met het antwoord op de vraag waar ik zelf vandaan kom.

Mijn grootouders van moederskant waren Groningers en woonden in Oude-Pekela en Ezinge. Na de oorlog kwamen zij naar IJmuiden omdat er werk was bij de Hoogovens. Mijn moeder groeide op in IJmuiden als oudste in een gezin van drie kinderen. Mijn vader groeide op in een groot Haarlems gezin met meer dan tien kinderen. Als ik nu nog eens langs het huis rijd waar zij samen hebben gewoond vraag ik me steeds af hoe dat heeft gepast. Op jonge leeftijd maakten mijn ouders de keuze te gaan werken. Zij kozen voor brood op de plank en eigen geld verdienen. Op mijn geboortecertificaat staat van mijn vader zijn beroep van dát moment (1981) vermeld: betonijzervlechter. Met mijn zeven jaar oudere zus groeide ik op in de Transvaalbuurt, vlakbij de Cronjéstraat, en ik ging naar school op het Pretoriaplein. In die tijd werkte mijn moeder parttime in de thuiszorg en na lang in de bouw te hebben gewerkt werd mijn vader kantonnier bij de provincie; hij onderhield de provinciale wegen. Thuis kom ik in die tijd niets te kort. We gaan af en toe op vakantie, samen op de fiets door de duinen en achter het huis ligt een groot schoolplein om op te spelen. Gesprekken gingen vaak over de vraag wat eerlijk is en hoe je op een goede manier kunt omgaan met anderen. Lid van een politieke partij zijn mijn ouders niet, betrokken bij en zorgzaam voor de mensen in hun omgeving zijn zij wel. Het wordt mij met de paplepel in gegoten. Als eerste van het gezin ging ik studeren; naar de pabo in Haarlem en daarna Onderwijspedagogiek aan de vrije Universiteit. Wat voor mij vanzelfsprekend was, en wat door mijn ouders telkens werd gestimuleerd en mogelijk gemaakt, bleek achteraf bijzonder. Een studerend kind kost immers veel geld en twee studies na elkaar kosten nóg meer geld. Het grootste deel daarvan hebben mijn ouders voor hun rekening genomen.

In februari 2013 publiceert de Wiardi Beckman Stichting (WBS) ‘Van waarde. Sociaal-democratie voor de 21e eeuw.’ Ik heb dat laatst herlezen, inclusief een bundel met vijftig persoonlijke verhalen dat tegelijkertijd werd uitgebracht. Er wordt geschreven over bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding. In de persoonlijke verhalen worden deze wat abstracte begrippen heel concreet in hun betekenis voor het dagelijks leven van leraren, verplegers, schoonmakers, agenten en allerlei anderen. De persoonlijke verhalen heb ik in mij opgezogen. Sommigen openden mijn ogen, anderen hielden mij een spiegel voor over mijn eigen werk, maar bovenal vond ik herkenning in de wensen en zorgen die mensen uitspraken over het leven van alle dag. In een aantal verhalen over bestaanszekerheid en verheffing herkende ik mijn ouders en de kansen die zij mij gaven om verder te studeren. Een aantal verhalen over goed werk dwongen mij na te denken over hoe ik nu zelf invulling geef aan mijn werk als lerarenopleider. Maar ik herkende ook de verhalen van mensen die ik in de afgelopen maanden sprak als ik met een roos in de hand bij hen aan de deur stond in de Slachthuisbuurt. Van een vrouw die worstelde met de vraag hoe de zorg voor haar moeder kon worden gecombineerd met haar werk als taxi-chauffeur. Van een man die als zelfstandig vrachtwagenchauffeur vreest voor het verlies van werk aan andere chauffeurs van buiten Nederland.

Het zijn de verhalen van deze mensen uit de Slachthuisbuurt, maar bijvoorbeeld ook die van mijn of jouw ouders, die mij motiveren om politiek actief te zijn en te blijven. Wat mij betreft vormen deze wensen en zorgen over het leven van alle dag de basis van onze politiek als sociaal-democraten. Velen zullen het met mij eens zijn. Toch moeten we ook op blijven letten. Meer dan eens zijn het immers niet deze verhalen die centraal staan in de politiek, maar een compromis dat met andere partijen is gesmeed. Meer dan eens hoorde ik in de afgelopen maanden mensen vertellen al jaren PvdA te stemmen, maar niet zeker te weten of zij dat nog steeds willen doen. Dat de PvdA is gaan regeren met de VVD wordt door veel mensen niet begrepen, het roept bij sommigen de fundamentele vraag op of zij de PvdA nog kunnen vertrouwen. Het heeft er mede voor gezorgd dat ik ben verschoven van een meer pragmatische opstelling (voor wie het resultaat telt) naar een meer principiële opstelling (voor wie een duidelijk herkenbaar profiel minstens zo belangrijk). Hierbij realiseer ik mij natuurlijk dat het één niet zonder het ander kan en een balans hiertussen belangrijk is.

Het nogmaals uitleggen van de keuzes van de PvdA helpt niet om vertrouwen van mensen in de partij te herstellen. Wat wel helpt is als mensen de PvdA meer dan nu gaan herkennen als een partij die hun wensen en zorgen als basis neemt van haar politiek waarbij bestaanszekerheid, goed werk, verheffing en binding centraal staan; zoals de WBS heeft beschreven. Iemand die fulltime werkt moet zich geen zorgen hoeven maken over de vraag of er wel genoeg geld is om de huur of het eten te betalen. Iedereen moet serieus genomen worden in haar werk en verdient respect voor wat hij doet. De kansen die je krijgt om jezelf te ontwikkelen mag niet afhankelijk zijn van de plek waar je wordt geboren en opgroeit. Ontwikkeling en vooruitgang is alleen mogelijk door samen te werken, naar elkaar om te kijken en onderlinge solidariteit. Als partij én als lokale afdeling moeten we blijvend onderzoeken waar deze waarden onder druk staan en daar vervolgens werk van maken. Het vormt de kern van onze opdracht.

Dat betekent dat die verhalen op tafel moeten komen, meer dan nu, en dat we met Haarlemmers in gesprek moeten blijven. Het vraagt van de afdeling om tot in de diepste haarvaten onderdeel uit te maken van de Haarlemse samenleving, de buurten en verenigingen. Om permanent de buurten in te blijven trekken. Niet om ons verhaal nóg een keer uit te leggen maar om te blijven luisteren en in gesprek te gaan. Zodat we op basis daarvan kunnen werken in de gemeenteraad. Het vraagt dus om een open houding en een definitief afscheid van de houding waarin we weten wat ‘goed’ is of het ‘beste’ antwoord al hebben gevonden op de vraag wat nodig is. Verheffing en binding zijn ook waarden die wij direct moeten betrekken op ons politiek werk. Binnen de afdeling moeten we elkaar kritisch in de gaten houden; samen zijn we verantwoordelijk voor het creëren van deze cultuur. De leden, de fractie en het bestuur geven samen vorm aan de PvdA Haarlem.

Ik ben er van overtuigd dat meer mensen zich aangesproken zullen voelen door deze werkwijze, het leuker zal worden om actief te worden binnen de afdeling en deze cultuuromslag zal bijdragen aan het verbreden van de steun onder Haarlemmers voor onze politiek omdat het rechtstreeks aansluit op hun wensen en zorgen over het leven van alledag. Zo maken we het voor Haarlemmers elke dag een beetje beter werken, wonen en leven in onze mooie stad. Als voorzitter wil ik dit proces aanjagen, het goede voorbeeld geven, zorgen voor meer leven in de brouwerij en werken aan het herstel van vertrouwen van Haarlemmers in onze partij. Daarvoor vraag ik dinsdag 10 juni en in de jaren daarna de steun van de Haarlemse PvdA-leden.

Voor een Haarlem dat werkt

Op zaterdag 30 november begonnen tientallen mensen aan een avontuur. In een rode jas en een bos vol rozen in de hand trokken zij de Haarlemse buurten in. Elke week opnieuw. Zij spraken met enkele duizenden Haarlemmers persoonlijk. Over hun buurt. Over hun zorgen. Over hun wensen voor de stad. Zij gingen in gesprek met vele maatschappelijke organisaties. Wijkraden, zelforganisaties, verenigingen. Om te horen over hun visie op de toekomst van Haarlem. Zij bezorgden tienduizenden flyers en verkiezingstijdschriften. Huis aan huis. Meestal wel drie keer in twee maanden tijd. Zij stuurden honderden e-mails en nieuwsbrieven. Zij schreven blogs voor de website. Deelden talloze Facebookberichten met hun eigen vrienden en stuurden tientallen tweets. En tot slot deelden zij in de laatste dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen meer dan 5.000 rozen uit. Riepen zij Haarlemmers persoonlijk op om te gaan stemmen. Stuk voor stuk. Deur voor deur. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Totdat woensdag de stembus sloot.

Dat is ons verhaal. Na 109 dagen eindigde gisterenavond de permanente campagne van de PvdA Haarlem voor de gemeenteraadsverkiezingen van woensdag 19 maart. De afgelopen vier maanden was ik er vrijwel dagelijks mee bezig. ’s Ochtends vroeg, in de avonduren en vooral de weekenden. Naast een volledige baan. Dat is niets om medelijden mee te hebben. Dat is iets om jaloers op te zijn. Ik deed het graag. Omdat ik sta voor een sterke stad waar iedereen de kans wordt geboden op een goede toekomst. Door goed onderwijs. Door te zorgen voor voldoende banen met een goed salaris. Omdat ik sta voor een sociale stad waarin mensen naar elkaar omkijken. Haarlemmers die dat nodig hebben een steuntje in de rug krijgen. Waarin we met elkaar samenwerken. Dat is waarom ik actief ben als vrijwilliger voor de PvdA. En daarin ben ik niet alleen.

De afgelopen maanden werkte ik in het campagneteam intensief samen met Martien Brander, Tessa van den Dolder, Roel Schepers, Gert-Jan Ankoné en Jeroen Fritz. En dat was een genot! Samen met tientallen andere vrijwilligers voerden we campagne. En dat was een feestje! Vandaag ben ik teleurgesteld over die ene zetel die we in de Haarlemse gemeenteraad hebben verloren. Ik ben blij en tevreden over wat we de afgelopen maanden hebben laten zien. Over de mensen die ik heb ontmoet.

Ik kijk er naar uit om mezelf de komende jaren te blijven inzetten voor Haarlem en voor het verder versterken van de PvdA als vereniging. Door gebruik te maken van de expertise en ideeën van alle Haarlemmers en onze leden. Door tenminste maandelijks ergens in Haarlem de deuren langs te gaan. Door de campagne verder te professionaliseren. Door het debat in de stad aan te jagen, vooral ook buiten de gemeenteraad. Voor een Haarlem dat werkt!

Over regels en ruimte in het onderwijs

Zoals het spel van de bakkerij wordt gespeeld door de bakker en zijn klanten, zo wordt het spel van onderwijs gespeeld door de leerkracht en zijn leerlingen. Een blog over regels en ruimte in het onderwijs.

Ik ben verslaafd. Ik ben verslaafd aan een spel. Ik spéél een spel, elke dag opnieuw en ik ben er dol op. Het is een van de leukste dingen die ik doe en ik ken bovendien erg heel veel mensen die het ook doen. Lotgenoten, verslaafden, zelfs mensen die het voor hun beroep zijn gaan doen. Die het spel niet los kunnen laten, die het niet weg kunnen leggen, die maar moeilijk aan iets anders kunnen denken.

Het is géén sport of bewegingsspelletje. Alhoewel ik graag een rondje rijd op mijn racefiets en niet vies ben van een wedstrijdje. Het is géén computerspelletje. Alhoewel ik de afgelopen tijd wel weer eens een spelletje speel op mijn ipad.

Ik speel schooltje. En ik ben er dol op. Ik ben een professional. Ik doe het voor mijn beroep.

Als ik aan spel of spelen denk, dan denk ik niet als eerste aan een computerspel, aan een gezelschapsspel, aan een bewegingsspel of sport. Ik denk aan een rollenspel, waarbij mensen rollen aannemen, mensen de taal en gereedschappen gaan gebruiken die bij dat spel horen. Zoals de rol van leerling, van leerkracht, van directeur, of de rol van ouder. Om maar eens vier belangrijke rollen te noemen in het spel van onderwijs.

Het is een kijk op spel dat op scholen voor Ontwikkelingsgericht Onderwijs heel gewoon is. Thematisch rollenspel van kinderen staat centraal in dit onderwijs. Een deel van de ‘echte wereld’ wordt de klas in gehaald, zoals bijvoorbeeld ‘de bakkerij’ en kinderen nemen de rol aan van bakker, verkoper of klant. Een principe dat geldt in het onderwijs aan heel jonge én aan oudere kinderen. Een principe dat  ook geldt voor de sociaal-culturele praktijk van onderwijs zelf.

Bert van Oers (2009), bijzonder hoogleraar onderwijspedagogiek aan de Vrije Universiteit, heeft veel over spel en spelen geschreven vanuit het perspectief van de cultuurhistorische theorie. Hij benoemt drie kenmerken waaraan spel voldoet.

  1. Regels.
  2. Vrijheid.
  3. Betrokkenheid.

Ten eerste is het spel gebonden aan regels. Voor elk spel dat gespeeld wordt bestaan maatschappelijke afspraken of conventies. Geschreven en ongeschreven regels die aan deelnemers voorschrijven hoe zij het spel dienen te spelen. Het biedt ons houvast. Het biedt duidelijkheid over wat er van een goede deelnemer aan het spel wordt verwacht.

Ten tweede is er binnen het spel sprake van vrijheid. Een zekere mate van vrijheid om het spel op een eigen manier te spelen. Om er een eigen versie van te maken dat past bij dat moment en de deelnemers van dat moment. Op deze manier kan het spel zich als geheel ook ontwikkelen, om in een nieuwe vorm weer te kunnen worden doorgegeven aan nieuwe en toekomstige deelnemers.

Ten derde is er binnen het spel sprake van een hoge mate van betrokkenheid van de deelnemers. Doordat de deelnemers er zelf voor kiezen om deel te nemen en te blijven deelnemen aan het spel. Het zorgt voor plezier, voor onderlinge waardering, voor tevredenheid. Deelnemers weten wáárom zij deelnemen aan dit spel, wat het belang ervan is, voor henzelf en voor anderen.

Zoals jonge kinderen hun spel spelen van de bakker, de verkoper en de klant, zo spelen wij ook elke dag het spel van onderwijs. Ik maak mij echter al een heel lange tijd grote zorgen over dit spel.

Politici, beleidsmakers, bestuurders, maar ook schoolleiders en leerkrachten zijn inmiddels heel erg goed in het vastleggen en voorschrijven van de regels waaraan het spel moet voldoen. Hierop is de afgelopen jaren een enorme nadruk gelegd. Om vervolgens de naleving van al die regels te controleren en de deelnemers daarop af te rekenen. Scholen of leerkrachten die zich niet aan de regels houden worden onder verscherpt toezicht gesteld. Van de onderwijsinspectie of van het schoolbestuur. Kinderen of studenten die niet precies voldoen aan de eisen die worden gesteld, bijvoorbeeld op basis van hun score op de eindtoets of het behalen van genoeg studiepunten worden in hun keuzemogelijkheden beperkt. Zij worden niet geaccepteerd op de schoolsoort van hun keuze of mogen hun opleiding niet vervolgen.

Bijkomend probleem is dat de regels en de verwachtingen van leerlingen én leerkrachten zich hebben gericht op een slechts heel beperkt aantal aspecten. Bijvoorbeeld op het verhogen van het niveau van de taal- en rekenvaardigheid. In het gehele onderwijs, van de peuterspeelzaal tot aan de universiteit, geldt het decreet: de basis moet op orde. Er wordt precies vastgelegd op welk moment leerlingen zich op welk niveau moeten hebben ontwikkeld op het gebied van rekenen en taal. Eenzelfde proces heeft zich inmiddels ontwikkeld op het niveau van de leerkrachten. Er wordt precies vastgelegd op welke wijze een leerkracht moet handelen. Amsterdam loopt hierin voorop, in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten.

Ik ben niet tegen regels. Ook niet als heel precies wordt uitgesproken wat er van scholen, leerkrachten en leerlingen wordt verwacht. Regels horen erbij, het biedt houvast, het biedt perspectief, het geeft een beeld van hoe het spel wordt gespeeld. En bovendien betekent het vastleggen van regels niet automatisch dat de deelnemers op basis daarvan ook moeten worden afgerekend. Wel vind ik dat de grote aandacht voor regels in de afgelopen tien jaar een te eenzijdige stempel heeft gedrukt op de praktijk van het onderwijs, zeker ook in Amsterdam.

Waar is de ruimte voor scholen gebleven om een eigen versie van het spel te spelen?
Waar is de vrijheid gebleven om binnen kaders eigen ideeën over het spel van onderwijs te formuleren?
Waar is de vrijheid gebleven om aan sommige ontwikkelingen wel deel te nemen, maar andere ‘vernieuwingen’ aan je te laten passeren?

Naar mijn beleving is deze ruimte kleiner geworden.
Naar mijn idee is deze vrijheid afgenomen.
Ik weet het niet zeker. Maar zo beleef ik het. Zo voel ik het.

Dat zou wel eens een belangrijke oorzaak kunnen zijn van een toenemend chagrijn van leerkrachten. In ieder geval bij mij. Want wat dreigt is een cultuur waarin leraren zich niet serieus genomen voelen, waarin deelnemers zich minder betrokken gaan voelen bij het spel waarin een leerkracht alleen wordt opgelegd wat zij moeten doen. Leerkrachten verworden hiermee tot een lesboer, een uitvoerder van wat anderen hebben bedacht. Wat dreigt is een onderwijspraktijk waarvan betrokken collega leerkrachten bewust afscheid nemen, sommigen helaas al na een korte tijd.

Het kan anders. Het gaat anders. En er gloort hoop aan de horizon.

Enkele weken geleden verscheen Het alternatief. Een boek geschreven onder redactie van twee leraren in het voortgezet onderwijs. Het is een bundel van verhalen en interviews met leerkrachten, docenten, wetenschappers en de ondertitel van het boek is ‘Weg met de afrekencultuur in het onderwijs.’ Koop het, lees het, praat erover.

Vorige week werd in de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van Onderwijs behandeld en gisteren werd er gestemd over ingediende moties. Voor zover ik nu begrijp heeft de staatssecretaris twee gevoelige nederlagen geleden. Een kamermeerderheid keert zich tegen de invoering van een kleutertoets. Daarnaast had de staatssecretaris in de begroting streefcijfers vastgelegd voor gemiddelde scores op de cito eindtoets. Een kamermeerderheid stemde hier tegen. Op twitter werd juichend gesproken over het ‘einde van de toetsgekte’ in Nederland.

Tot slot verscheen eerder deze week een nieuw rapport van de Onderwijsraad onder de veelbelovende titel ‘Een smalle kijk op onderwijskwaliteit,’ waarin wordt bepleit:

  • Kwaliteit breed inzichtelijk te maken, en dus niet alleen te focussen op rekenen en taal.
  • Op hoofdlijnen te sturen en ruimte te geven voor de professionaliteit van leerkrachten.
  • Ook niet cognitieve capaciteiten meer te waarderen.

Toch moeten we ook alert blijven. Er wordt op dit moment besloten over een nieuwe beschrijving van de bekwaamheidseisen die gaan gelden voor leerkrachten in het basisonderwijs. En hebben de Amsterdamse schoolbesturen in samenwerking met de gemeente de stichting Beter Primair Onderwijs opgericht om, naast de onderwijsinspectie, ook zelf toezicht te houden op de kwaliteit van het Amsterdamse basisonderwijs. Wat er verwacht wordt van leerkrachten is precies vastgelegd in een praktijkboek onder de titel ‘Goed Onderwijs.’

Niemand is tegen goed onderwijs. Maar zowel over het doel, als de weg daar naar toe kunnen totaal van elkaar verschillende opvattingen bestaan. Goed of beter is daarmee eigenlijk een leeg begrip. De vraag is wat jij onder goed verstaat en die vraag moet iedereen voor zichzelf beantwoorden.

Ik vind het belangrijk om telkens terug te gaan naar de vraag waarom je überhaupt aan dit spel van onderwijs deelneemt. Waarom doe jij dit werk eigenlijk? Ik werk als docent aan de pabo omdat ik studenten wil stimuleren na te denken over hún visie op onderwijs, hen zelfbewust te maken van hun perspectief, bewust te maken van verschillende opvattingen van anderen, hen te laten nadenken over wat zij willen meegeven aan de kinderen in hun klas. Jezelf af te vragen wat het grotere of achterliggende doel is van onderwijs. Om vervolgens na te denken over hoe je dat het beste kunt bereiken.

Ook vind ik het belangrijk om de overdaad aan regels die worden opgelegd kritisch te beschouwen. Samen met anderen te spreken over de goede elementen ervan, maar ook de zorgen en gevaren heel scherp te benoemen. Door erover in gesprek te gaan met collega’s op school en binnen het schoolbestuur, met gemeenteraadsleden en de wethouder van onderwijs, met Tweede-Kamerleden en de minister of staatssecretaris. En vervolgens door alternatieven aan te dragen, voorstellen te doen voor aanpassingen. Door letterlijk te stemmen en politieke partijen te steunen die jouw kijk op onderwijs verwoorden. Het heeft zin, zoals deze week zichtbaar werd in de Tweede-Kamer.

Kortom. De spelregels van onderwijs zijn niet in beton gegoten. Doe je best om ze aan te passen als je dat nodig vindt. Zoek, benut en bewaak de ruimte die er is om een eigen versie van het spel te spelen.

Ik ben geen leerkracht geworden omdat ik toetsen wil afnemen of aan het einde van het jaar een methodeboek af wil hebben. Ik ben leerkracht geworden omdat ik een bijdrage wil leveren aan de volwassenwording van kinderen en studenten. Omdat ik hen kritisch en zelfstandig wil laten deelnemen aan de maatschappij. Wat mij betreft moet dát meer centraal komen te staan in het onderwijs. Het kan zorgen voor betekenisvol onderwijs en betrokkenheid van leerlingen en hun leerkrachten.

Bron:
Van Oers, B. (2009). Ontwikkelingsgericht werken in de bovenbouw van de basisschool. Een theoretische verkenning met het oog op de praktijk. Alkmaar / ’s Hertogenbosch: De Activiteit.

Afbeelding: A medieval baker with his apprentice. The Bodleian Library, Oxford. Scanned from Maggie Black’s “Den medeltida kokboken”, Swedish translation of The Medieval Cookbook ISBN 91-7712-380-8. Wikipedia.

Toerist in Kaapstad

Vanuit Montagu zijn we op woensdagavond naar Kaapstad gereisd. Een rit van ongeveer drie uur, onze laatste rit in de Baz Bus. We lieten het alledaagse leven (en de armoede) op de Ashbury school achter ons en stapten als toerist het luxe leven van Kaapstad binnen.

Maar voordat het zover was werden we woensdag aan het einde van de ochtend uitgezwaaid door honderden kinderen van de Ashbury school. Dat ging ongeveer zo.

Nadat we de laatste handen hadden geschud bracht Brenda ons naar Swellendam, zo’n 50 kilometer gelegen van Montagu. Daar hebben we de schoenen en kleding gekocht voor de kinderen waarover ik in een eerdere blog schreef. Ook deden we hier wat boodschappen. Op zich niet zo bijzonder, maar de plaatselijk Spar had maar liefst acht complete stellingen met Nederlandse producten. Enkel en alleen voor de toeristen. Aha. Toen wij er waren hebben we geen Nederlands gehoord, maar blijkbaar is Swellendam een populaire plaats voor Nederlanders.

We verbleven vier nachten in Kaapstad en hadden dus drie volle dagen de tijd om de stad te verkennen. De eerste dag zijn we na een trage start naar het V&A Waterfront gelopen. Dit gebied is onderdeel van de haven en wordt sinds enkele jaren compleet gerenoveerd en ontwikkeld tot toeristische trekpleister van de stad, inclusief luxe appartementen voor de lokale jetset, restaurants aan de haven en een groot winkelcentrum met luxe winkels. Vanaf hier vertrekt ook de boot naar Robbeneiland. Om 13.00 uur vertrok onze boot naar dit eiland waar Mandela meer dan twintig jaar gevangen zat. Met ongeveer 150-200 bezoekers tegelijk bezochten we het eiland. Eerst met een bus over het eiland zelf om verschillende plaatsen te bekijken. Waaronder de plekken waar de gevangen te werk werden gesteld. Daarna de gevangenis waar de belangrijkste gevangen werden vastgehouden. Onder begeleiding van een ex-gevangene bezochten we het complex met als ‘hoogtepunt’ de cel van Mandela. Het klinkt misschien afgezaagd, maar het was een indrukwekkend moment. De geschiedenis wordt heel tastbaar, ook al ontbreken de hoofdrolspelers van dat moment.

De tweede en derde dag hebben we de stad verder verkend vanuit een sightseeing bus, héél onopvallend dus en bijna niet herkenbaar als toerist. Ondanks mijn scepsis bleek de bus een prima en gemakkelijk hulpmiddel om de stad te verkennen bij gebrek aan een sluitend netwerk van openbaar vervoer waar je als bezoeker eenvoudig gebruik van kan maken. De kabelbaan naar de top van de Tafelberg was helaas gesloten, maar het uitzicht vanaf Signalhill óp de Tafelberg en de stad was niet minder prachtig. Het was als New York bekijken vanaf de top van het Rockefellercentre en terloops ook het Empire State Building te zien (in plaats van het Empire State Building zelf te beklimmen). Ook reed de bus ons langs de zandstranden van de wijken buiten het centrum en op de derde dag rónd de Tafelberg door de wijnvelden aan de andere zijde van de berg. Het Two Oceans Aquarium en de souvenirshop bij het V&A Waterfront maakten ons verblijf als echte toeristen compleet.

Naast Robbeneiland is District Six een ander tastbaar overblijfsel van de tientallen jaren van Apartheid in Zuid-Afrika. Deze wijk in het centrum van de stad werd door de regering ontruimd en met de grond gelijk gemaakt in de jaren zeventig van de vorige eeuw. In deze wijk woonden Zuid-Afrikanen met verschillende afkomst en huidskleur samen. Dat was niet de bedoeling van apartheid. Vandaag de dag is nog steeds maar een klein deel van de wijk herbouwd. Wat rest is zijn de fundamenten van de huizen die er vijftig jaar geleden stonden, de straten die er lagen en vooral een groene weide. In het District Six Museum zijn herinneringen aan de wijk en haar bewoners samengebracht. Je krijgt er een indruk van hoe het leven er ooit was. Voormalige bewoners en de (lokale) overheid schijnen nog steeds te bakkeleien over de herontwikkeling van de wijk en de terugkeer van de oorspronkelijke bewoners. Dat het al tientallen jaren een open vlakte is kan niet anders dan pijn doen voor honderden Zuid-Afrikanen die er ooit woonden.

Zondagochtend eindigde onze vier weken durende rondreis door Zuid-Afrika. We waren achtereenvolgens in: Johannesburg, Kruger Nationaal Park, Johannesburg, Durban, Chintsa, Port Elizabeth, Jeffreys Bay, Plettenberg Bay, Knysna, Montagu en Kaapstad. We hebben een gevarieerd en uitgebreid beeld gekregen van het land en de Zuid-Afrikanen. Vooral ook door ons verblijf bij Brenda in Montagu en het bezoek aan de school.

De indrukken en ervaringen maakten mij blij, maar ook verdrietig. Met de komst van de Nederlandse VOC begon ook de handel in slaven. Ontwikkelden de nakomelingen van deze Nederlanders zich tot een bevolkingsgroep die zich ‘de Boeren’ gingen noemen. Werd er een samenleving gecreëerd waarin mensen náást elkaar leefden en de zwarten werden onderdrukt door de blanken. Om vervolgens onder leiding van Mandela de apartheid van zich af te werpen en als één natie verder te gaan. De sporen van apartheid zijn nog dagelijks zichtbaar in de samenleving, ook voor mij als bezoeker, laat staan voor de mensen zelf. Het zal nog jaren duren voordat nieuwe generaties zich niet belast voelen met een gruwelijke erfenis en als vanzelf in harmonie samenleven.

Kinderen van Ashbury

De wijk Ashbury ligt een stuk van het dorp Montagu af. Ik zou het een township noemen, maar dat is een beladen term die werd gebruikt tijdens de periode van apartheid. Townships werden gecreëerd voor zwarte of gekleurde Zuid-Afrikanen, zij werden gedwongen hier te wonen, vaak ver buiten de dorpen en steden die aan blanken waren voorbehouden.

De bevolking van Ashbury bestaat uit enkel uit zwarte of gekleurde Zuid-Afrikanen. Veel van de mensen zijn werkloos, sommigen hebben een baan. Er is sprake van grote armoede. Wat zijn de kansen van deze kinderen in de toekomst?

De woningen in Ashbury variëren van zelf getimmerde golfplaten plakkershutten, tot kleine stenen huizen gebouwd door de staat of andere stenen woningen. Op maandagmiddag hebben we twee van de kinderen thuis bezocht. De eerste leerling woonde in een zelf getimmerde plakkershut, tegen een stenen huis aangebouwd. Hier kwamen we binnen in de keuken, waarin een bank stond. Er werd gekookt. Achter een doek was het slaapgedeelte waarin drie bedden stonden, waarin minstens vijf mensen moeten slapen. De leerling liet ons trots het huis zien. Voor ons is het een vreemde gewaarwording, we zijn te beschaamd om een foto te maken. Esther fotografeert uiteindelijk de kinderen in hun eigen huis. De tweede leerling woonde in een stenen huis met vier kamertjes, inclusief een toilet, aparte keuken en woonkamer. Ook hier wonen tenminste vijf mensen, zo is mijn indruk. De omstandigheden zijn wel anders. De grote houten bank, stoelen en kast zouden niet hebben misstaan in het interieur van mijn grootouders. Opvallend zijn ook de diploma’s van de lagere school die aan de muur hangen, waaronder een diploma voor goede vordering. Het blijken de diploma’s van moeder en zij vertelt er nog steeds met trots over.

Alhoewel de werkloosheid in deze wijk hoog is en alle gezinnen relatief arm zijn, zijn de verschillen tússen de gezinnen dus ook relatief groot. Een deel van de families heeft geprofiteerd van de woningbouw die op gang is gekomen na de val van de apartheid en het nieuwe bewind van het ANC onder presidentschap van achtereenvolgens Mandela, Mbeki en nu Zuma. De stenen huizen zijn een flinke stap voorwaarts ten opzichte van de zelfgebouwde hutten. Mensen betalen een eigen bijdrage van ongeveer €175 als zij een stenen huis gaan bewonen en zijn vervolgens eigenaar, zo heb ik mij laten vertellen. Toch leven er nog heel veel gezinnen in hutten en is er nog een lange weg te gaan om iedereen een fatsoenlijk onderdak te geven.

De derde dag dat wij op school waren regende het ’s morgens. Dat betekent dat er minder kinderen naar school komen, want in een nat pak ben je op school niet welkom. Het komt voor dat kinderen vervolgens weer naar huis worden gebracht (met de auto) om droge kleren aan te kunnen doen. Voor sommige kinderen geldt dat zij simpelweg geen andere kleren hebben dan die zij aan hebben. Op regenachtige en koude dagen als deze woensdag komt tussen de 10 en 20% van de kinderen niet naar school.

Op deze woensdag zijn we ’s ochtends te gast bij graad 1, dat is groep 3. Extra leuk omdat ik ook aan groep 3 les heb gegeven en het ook hier de leeftijd is waarop het formele lees- en schrijfonderwijs begint. In deze klas zitten enkele kinderen zonder schooluniform en de leerkracht vertelt dat twee jongens uit relatief (iedereen is arm) heel arme gezinnen komen. Eén van hen heeft op deze koude dag een korte broek en geen schoenen aan. Esther voelt aan zijn benen en voeten, deze zijn letterlijk steenkoud van de vloer waarop hij staat. Als Brenda binnenkomt om ons op te halen en naar een andere klas te brengen vragen we haar wat een schooluniform kost. 180 rand. Dat is minder dan €15. We besluiten de jongens een uniform te willen geven en kordaat als Brenda is roept zij de jongens bij zich en lopen we samen naar de administratie om een zweet pakkie, een Ashbury trainingspak / uniform, te bestellen in de juiste maat. Over ruim een week zijn de pakkies op school. Al snel hebben we het idee om tenminste ook een paar schoenen te kopen. We maken een voetafdruk en brengen deze mee naar de PEP, een lokale C&A. Naast een paar leren schoenen (warmer en met voetbed) en kousen rekenen we twee fleece truien, setjes kleurpotloden en paraplu’s af. We hopen de twee jongens warm én blij te maken. De volgende dag zijn zij beiden niet op school. Vrijdag is er geen school vanwege vrouwendag. We hopen maandag een foto met daarop twee blije jongens te ontvangen.

We zijn echter ook verdrietig en het helpen van deze twee jongens voelt als een druppel op een gloeiende plaat. We denken nu na over een manier waarop we in de toekomst meer kinderen van de school kunnen helpen aan basis dingen als schoenen, warme (school)kleding, maar bijvoorbeeld ook een bril. Een financiële bijdrage van anderen is daarbij meer dan welkom, we komen er graag op een later moment nog op terug.

De Ashbury Primary School

Aan het begin van deze week waren Esther en ik te gast op de Ashbury Primary School in Montagu. We bezochten meer dan dan tien klassen en zagen honderden kinderen. We kregen een inkijkje in het Zuid-Afrikaanse basisonderwijs op een school met enkel zwarte of gekleurde Zuid-Afrikaanse kinderen.

Esther is bekend op en met de Ashbury school, zij kwam er al eens eerder. Voor haar was het dus een weerzien met leerkrachten en ook met sommige kinderen. Voor mij was alles nieuw. Nieuw was dus ook met de auto naar school en onderweg de 1200 (!) kinderen van de school, in hun groene schooluniform (trainingspak of nette broek met overhemd en spencer), vanuit de hele wijk naar de school zien lopen.

De basisschool kent graad 1 t/m 9, graad 1 is vergelijkbaar met onze groep 3, graad 9 met de derde klas van het voortgezet onderwijs. Een soort middenschool dus, waarover ik op zich zeer enthousiast ben. Ooit schreef ik met Martijn van Schaik een paper over de middenschool en haalden we oud minister Jos van Kemenade naar de VU om het paper te bespreken. Het onderwijs op de Ashbury school lijkt echter weinig gedifferentieerd. Kinderen zitten samen in de klas totdat zij 15 jaar oud zijn, als vanzelfsprekend verschillen hun talenten en mogelijkheden. De wijze waarop hiermee rekening wordt gehouden in het onderwijs heb ik echter niet kunnen zien. Ook de gebruikte methoden lijken hiermee geen rekening te houden. Het lijkt één niveau waarop kinderen meer of minder goed kunnen presteren. Het is een onderwerp om verder uit te zoeken tijdens een mogelijk volgend meer uitgebreid bezoek.

Het team van de Ashbury school komt elke ochtend om 07.45 uur samen voor gebed en voor de laatste mededelingen van het schoolhoofd (‘hoof’). Tijdens deze bijeenkomst werden we maandagochtend uitgebreid welkom geheten. Dit was ook het moment waarop Esther een cheque van €1500 aan de school overhandigde, ingezameld door de kinderen, ouders en leerkrachten van haar eigen Valkenburgschool in Heemstede. Het was al de tweede keer dat er geld was ingezameld. Esther is de afgelopen dagen in gesprek geweest met het schoolhoofd en de leerkrachten om te bespreken waaraan dit nieuwe geld zou kunnen worden besteed.

We hebben in drie dagen meer dan tien klassen bezocht. Vanaf graad 3 (groep 5) volgen de klassen lessen van 30 minuten bij telkens een nieuwe leraar zoals wij dat gewend zijn op het voortgezet onderwijs. Het komt wel eens voor dat er een dubbele les is ingeroosterd, maar is dat is zeker niet altijd het geval. Daarom komt het regelmatig voor dat een les pas net lekker bezig is als de bel alweer gaat, de kinderen hun boeken in de rugzak stoppen (indien zij in het bezit hiervan zijn) en zich verplaatsen naar een ander lokaal, een andere leerkracht en een andere les. Wel hebben alle leerkracht een eigen klas. Met deze klas beginnen zij elke schooldag gedurende 15 minuten. Ook geven zij les aan deze klas.

De (jonge) kinderen sjouwen hun zware schooltjes van klas naar klas, maar ook van huis naar school en weer terug. Op school is er geen ruimte om al die boeken fatsoenlijk op te bergen. Voor sommige vakken geldt dat er te weinig boeken zijn voor alle kinderen van een betreffende graad. Die boeken blijven op school en worden door verschillende klassen gebruikt. De boeken worden door de overheid betaald, alleen als kinderen een boek kwijt raken moeten zij zelf betalen voor een nieuw boek. Dat is ook de reden dat er enkele kinderen zijn zonder boeken. Zij hebben geen geld om kwijtgeraakte boeken te vervangen.

Brenda vertelt ons dat voor sommige vakken er nog geen boeken zijn bezorgd voor de huidige derde periode. De overheid heeft het simpelweg nog niet geleverd. Dat is extra vreemd omdat de boeken op de school van haar kinderen wél zijn geleverd. Het roept de vraag op of er nog steeds onderscheid wordt gemaakt tussen de scholen en met welke reden. Opvallend is ook dat kinderen op centrale toetsen nog steeds hun huidskleur moeten noteren, voor ‘statistische redenen’. Wij begrijpen niet goed waarom dat belangrijk is. Gelet op de Zuid-Afrikaanse geschiedenis lijkt het mij een pijnlijke vraag. Veel van de gebruikte boeken sluiten aan op de verschillende leefwerelden van kinderen in dit land. Er worden zowel blanke als gekleurde kinderen afgebeeld, verschillende woonomstandigheden zijn zichtbaar. Behalve in graad 1, groep 3, hier worden leesboekjes gebruikt om de kinderen te leren lezen die bestemd waren voor scholen van blanke rijke kinderen. De verhalen spelen zich af in grote huizen met enkel blanke families. De kinderen in deze verhalen hebben een eigen boomhut in de tuin die luxer oogt dan mening plakkershut in Ashbury. Keer op keer worden de resten van apartheid zichtbaar.

Kinderen met speciale behoeften hebben twee eigenen klas op school met een eigen leerkracht en een eigen programma. Wij zijn in de klas van de ongeveer tien jongere kinderen geweest. Deze kinderen, sommigen met het syndroom van Down, volgen les in een houten chalet, een kleine ruimte met slechts één raam. In de winter is het hier erg koud (er staat één elektrisch straalkacheltje), in de zomer is het hier erg warm. In geen van de klassen is er overigens verwarming en zijn er enkele ruiten stuk. Dat is de reden dat leerkrachten staan les te geven met hun winterjas aan, sommige kinderen dragen in de klas handschoenen.

De klassen grenzen direct aan het schoolplein, het schoolgebouw is open, beslaat drie gebouwen die elk bestaan uit op elkaar gestapelde klassen. De meeste klassen zijn ingericht met vaste schoolbanken voor twee kinderen. In een enkele klas staan groepstafels waaraan kinderen samenwerken. De muren in de klassen zijn doorgaans aangekleed met posters en materiaal passend bij de vakken die betreffende leerkracht geeft. Het ziet er meestal vrolijk uit. Leerkrachten hebben beschikking over aanvullende materialen zoals kaarten bij sociale wetenschappen (aardrijkskunde/geschiedenis). Groot verschil met Nederlandse klassen is dat deze leerkrachten géén beschikking hebben over aanvullende (leer)materialen zoals telramen, rekenmachines, ontwikkelingsmateriaal, buitenspeelgoed, puzzels, noem maar op. Om nog maar te zwijgen over iets als een digitaal schoolbord. Sommige leerkrachten hebben een eigen computer, op school schijnen er enkele beamers te zijn, geen enkele hiervan hebben we hiervan gebruikt zien worden. Er lijkt een chronisch gebrek aan voldoende materiaal als verf, krijt, kwasten, papier, karton, etc.

Het onderwijs bestaat meestal uit het samen lezen van een tekst uit een methodeboek, het maken van een opgave in een eigen schrift. Opvallend is dat leerkrachten bijna alleen met de klas als geheel interacteren. Natuurlijk krijgen kinderen soms individueel een beurt. Van differentiatie lijkt er geen sprake, het lijkt one size fits all. Ook moeten de leerlingen de leerkracht vaak samen hardop nazeggen of zinnen die de leerkracht begint afmaken. Zij zijn niet anders gewend, we zien het bij zowel jonge als oudere kinderen in de klas. Afrikaans is de thuistaal van deze kinderen en vanaf graad 3, groep 5, leren zij verplicht ook Engels.

Er valt nog zoveel meer te schrijven over het onderwijs op deze school. Ik laat het hier voor dit moment bij.